Send a friend
 
Stuur deze pagina aan een vriend of bekende. Via een link kunnen ze deze pagina dan direct openen.
 
 
 
Aan
 
 
Email
 
 
 
 
Van
 
 
Email
 
 
 
 
Boodschap
 
 
 
 
 
 
 

Tel +31(0)24 397 1204

Home
contact
send a friend

 
 

Brief van het Universele Huis van Gerechtigheid onderwerp: Economie


1 maart 2017



Aan de bahá’ís van de wereld


Innig geliefde vrienden,

1. In een onderling steeds meer verbonden wereld wordt er meer licht geworpen op de maatschappelijke gesteldheid van elk volk, wat meer zicht verschaft op hun omstandigheden. Alhoewel er hoopgevende ontwikkelingen zijn, is er veel dat zwaar zou moeten wegen op het geweten van de mensheid. Onrechtvaardigheid, discriminatie en uitbuiting ruïneren het leven van de mensheid, blijkbaar immuun voor de behandelingen die worden toegepast door politieke stelsels van alle kleuren. De economische impact van deze kwellingen heeft gezorgd voor het aanhoudende lijden van zovelen, alsook voor ingewortelde, structurele mankementen in de samenleving. Niemand wiens hart werd aangetrokken tot de leringen van de Gezegende Schoonheid kan door deze gevolgen onbewogen blijven. “De wereld is in grote beroering,” merkt Bahá’u’lláh op in Lawḥ-i-Dunyá, “en de mensen zijn in een toestand van volslagen geestelijke verwarring. Wij smeken de Almachtige dat Hij hen genadiglijk moge verlichten met de glorie van Zijn Gerechtigheid, en hen in staat moge stellen om datgene te ontdekken wat voor hen te allen tijde en onder alle omstandigheden heilzaam zal zijn.” Omdat de bahá’ígemeenschap tracht een bijdrage te leveren op het niveau van denken en actie voor de verbetering van de wereld, zullen de ongunstige omstandigheden die door vele bevolkingsgroepen worden ervaren steeds meer haar aandacht opeisen.

2. Het welzijn van welk segment van de mensheid ook, is onlosmakelijk verbonden met het welzijn van het geheel. Het collectieve leven van de mensheid lijdt eronder wanneer er één groep denkt aan het eigen welzijn los van dat van zijn buren, of economische winst najaagt zonder op te letten hoe de natuurlijke omgeving, die voorziet in levensonderhoud voor allen, wordt aangetast. Voor zinvolle maatschappelijke vooruitgang staat er dan ook een hardnekkige hindernis in de weg: steeds weer krijgen hebzucht en eigenbelang de overhand ten koste van het algemeen belang. Er worden exorbitante hoeveelheden rijkdom vergaard, en de instabiliteit die dit veroorzaakt wordt steeds erger door hoe inkomen en kansen zo ongelijk zijn verspreid, zowel tussen de landen als binnen de landen. Maar het hoeft niet zo te zijn. Hoewel vele van deze omstandigheden voortkomen uit het verleden, hoeven zij niet de toekomst te bepalen, en zelfs als huidige benaderingen voor het economische leven voldeden aan het stadium van adolescentie van de mensheid, zijn deze zeker ontoereikend voor het dagende tijdperk van haar volwassenheid. Er is geen rechtvaardiging om structuren, regels en systemen te blijven handhaven die overduidelijk tekortschieten om de belangen van alle volkeren te dienen. De leringen van het Geloof laten geen ruimte voor twijfel: er is een inherente morele dimensie aan het voortbrengen, distribueren en het gebruiken van rijkdom en middelen.

3. De spanningen die opkomen vanuit het langetermijnproces van de overgang van een verdeelde naar een verenigde wereld worden niet alleen gevoeld in internationale relaties, maar ook in de steeds dieper wordende kloven die grote en kleine samenlevingen aantasten. Met heersende denkwijzen die ernstig tekortschieten heeft de wereld wanhopig behoefte aan een gedeelde
Aan de bahá’ís van de wereld 2 1 maart 2017
ethiek, een betrouwbaar raamwerk om de noodsituaties die zich als stormwolken samenpakken het hoofd te bieden. De visie van Bahá’u’lláh betwist vele van de veronderstellingen waarvan men toelaat dat deze het hedendaagse discours vormgeven – bijvoorbeeld dat eigenbelang zeker niet hoeft te worden beteugeld maar juist welvaart brengt, en dat vooruitgang alleen tot uitdrukking kan komen door niet-aflatende concurrentie. Het is de bahá’í-denkwijze volkomen vreemd om de waarde van een mens voornamelijk te bezien vanuit het gegeven van hoeveel men kan verzamelen en hoeveel goederen men kan consumeren in vergelijking met anderen. Maar ook zijn de leringen niet in overeenstemming met radicale verwerping van rijkdom als zijnde inherent smakeloos of immoreel, en is ascetisme verboden. Rijkdom moet de mensheid dienen. Het gebruik ervan moet overeenkomen met geestelijke principes; in het licht daarvan moeten er systemen worden gecreëerd. En, in de gedenkwaardige woorden van Bahá’u’lláh, “Geen licht kan worden vergeleken met het licht van rechtvaardigheid. De vestiging van orde in de wereld en de rust van de naties hangen daar vanaf.”

4. Hoewel Bahá’u’lláh in Zijn Openbaring geen gedetailleerd economisch systeem uiteenzet is in het geheel van Zijn leringen de reorganisatie van de maatschappij een steeds aanwezig thema. Het beschouwen van dit thema roept onvermijdelijk vragen op over economie. Natuurlijk gaat de toekomstige orde zoals ontworpen door Bahá’u’lláh ver voorbij al hetgeen de huidige generatie zich kan voorstellen. Desondanks zal het uiteindelijke opkomen hiervan afhangen van de energieke inspanningen van Zijn volgelingen om nu Zijn leringen te verwezenlijken. Met dit in gedachten hopen wij dat de onderstaande toelichtingen de vrienden zullen stimuleren tot diepgaande en voortdurende reflectie. Het doel is om te leren hoe in de materiële kwesties van de samenleving deel te nemen op een wijze die overeenkomt met de goddelijke voorschriften en hoe, praktisch gezien, collectieve welvaart bevorderd kan worden door rechtvaardigheid en vrijgevigheid, samenwerking en wederzijdse steun.

5. Onze oproep om de implicaties van de Openbaring van Bahá’u’lláh voor het economische leven te onderzoeken heeft tot doel bahá’í-instellingen en -gemeenschappen te bereiken, maar is met name gericht tot de individuele gelovige. Als er een nieuw model van gemeenschapsleven moet opkomen, gevormd naar de leringen, moet het gezelschap van gelovigen dan niet in hun eigen leven het rechtschapen gedrag tonen dat een van de voornaamste kenmerken ervan is? Elke keuze die een bahá’í maakt – als werknemer of werkgever, producent of consument, lener of geldschieter, begunstiger of begunstigde – laat een spoor na, en de morele plicht om een coherent leven te leiden vereist dat de economische beslissingen van een persoon in overeenstemming zijn met hoogstaande idealen, dat de zuiverheid van iemands doelen in overeenstemming is met de zuiverheid van iemands daden om die doelen te vervullen. Natuurlijk kijken de vrienden doorgaans naar de leringen om de norm te stellen waarnaar men moet streven. Maar de toenemende betrokkenheid bij de samenleving betekent dat de economische dimensie van maatschappelijk bestaan steeds meer geconcentreerde aandacht vereist. Met name in clusters waar het gemeenschapsopbouwende proces grote aantallen begint te omarmen, dienen de aansporingen die in de Bahá’í-geschriften staan steeds meer economische verhoudingen binnen gezinnen, buurten en volkeren te inspireren. Niet tevreden met welke waarden dan ook die de overhand hebben in de bestaande orde die hen omringt, dienen de vrienden overal de toepassing van de leringen op hun leven te overwegen en, gebruikmakend van de kansen die hun omstandigheden hen bieden, waar zij ook wonen hun eigen persoonlijke en collectieve bijdragen aan economische rechtvaardigheid en maatschappelijke vooruitgang te leveren. Zulke inspanningen zullen in dit opzicht bijdragen aan een steeds groter wordend reservoir van kennis.
Aan de bahá’ís van de wereld 3 1 maart 2017

6. Een fundamenteel concept om in deze context te onderzoeken is de geestelijke werkelijkheid van de mens. In de Openbaring van Bahá’u’lláh wordt de edelmoedigheid die eigen is aan elk menselijk wezen onmiskenbaar bevestigd; het is een fundamentele lering van de bahá’íovertuiging waarop de hoop voor de toekomst van de mensheid is gevestigd. Het vermogen van de ziel om alle namen en eigenschappen van God – Hij die de Meedogende, de Schenkende, de Milddadige is – zichtbaar te maken wordt herhaaldelijk in de Geschriften bevestigd. Het economische leven is een arena voor het uitdrukking geven aan eerlijkheid, integriteit, betrouwbaarheid, vrijgevigheid en andere geestelijke eigenschappen. Het individu is niet slechts een op eigen belang gerichte economische eenheid dat ernaar streeft een steeds groter deel van de materiële hulpbronnen van de wereld op te eisen. “De verdienste van de mens ligt in dienstbaarheid en deugd” verzekert Bahá’u’lláh, “en niet in de praal van weelde en rijkdom.” En ook: “Verspil niet de rijkdom van uw kostbare leven in het najagen van slechte en verdorven neigingen en laat evenmin toe dat uw inspanningen worden verspild aan het bevorderen van uw eigen belang.” Door zichzelf te wijden aan dienstbaarheid aan anderen vindt men betekenis en doel in het leven en draagt men bij aan de verheffing van de samenleving zelf. Bij het begin van zijn gevierde verhandeling The Secret of Divine Civilization zegt ‘Abdu’l-Bahá:

7. En de eer en verheffing van de mens bestaat hierin, dat hij te midden van alle menigten in de wereld een bron van maatschappelijk welzijn wordt. Is er een grotere gunst denkbaar dan deze, dat iemand, wanneer hij in zichzelf kijkt, zou ontdekken dat hij door de bevestigende genade van God de oorzaak van vrede en welzijn, van geluk en profijt voor zijn medemensen is geworden? Nee, bij de ene ware God, er is geen grotere gelukzaligheid, geen vollediger verrukking.

8. In dit licht gezien krijgen vele schijnbaar gewone economische activiteiten een nieuwe betekenis vanwege het vermogen dat ze bijdragen aan het menselijk welzijn en voorspoed. “Ieder mens moet een beroep hebben, een handel of een ambacht”, legt de Meester uit, “opdat hij de last van andere mensen kan dragen, en zelf geen last voor anderen zal zijn.” Bahá’u’lláh spoort de armen aan om “zich in te spannen en ernaar te streven de middelen van bestaan te verdienen”, en hen die rijkdom bezitten “moeten het hoogste respect hebben voor de armen”. “Rijkdom”, zo heeft ‘Abdu’l-Bahá beaamd, “is buitengewoon lovenswaardig als het door iemands eigen inspanningen en door de genade van God, in handel, landbouw, kunst en industrie verworven is, en als het wordt uitgegeven voor filantropische doeleinden.” Tegelijkertijd is de Verborgen Woorden doordrenkt van waarschuwingen over de riskante aantrekkingskracht ervan, dat rijkdom een “grote belemmering” vormt tussen de gelovige en het werkelijke Doel van zijn aanbidding. Het is dan ook niet verwonderlijk dat Bahá’u’lláh de staat van een rijke, die niet door zijn vermogen verhinderd wordt om het eeuwige koninkrijk te bereiken, hoog prijst; de grootsheid van zo een ziel “zal de bewoners van de hemel verlichten evenals de zon de mensen op aarde verlicht!” ‘Abdu’l-Bahá verklaart dat “als een oordeelkundig en vindingrijk persoon het initiatief zou nemen voor maatregelen die overal het merendeel van de mensen zouden verrijken, dan kon er geen grotere onderneming zijn dan dit, en het zou in de ogen van God als de hoogste prestatie gelden.” Want rijkdom is zeer prijzenswaardig “op voorwaarde dat de gehele bevolking rijk is.” Dat men zijn leven onder de loep neemt om vast te stellen wat benodigd is om dan vervolgens met vreugde zijn verplichting te volbrengen met betrekking tot de wet van Ḥuqúqu’lláh, is een onontbeerlijke leefregel om iemands prioriteiten in balans te brengen, te zuiveren wat men dan ook aan rijkdom bezit en te
Aan de bahá’ís van de wereld 4 1 maart 2017
verzekeren dat het deel wat het Recht van God is voorziet in het grotere goed. Tevredenheid en gematigdheid, liefdadigheid en medeleven, opoffering en vertrouwen op de Almachtige zijn eigenschappen die altijd de godvrezende ziel betamen.

9. De krachten van het materialisme propageren een geheel tegengestelde gedachtegang: dat geluk komt van het constant vergaren, dat hoe meer men bezit hoe beter het is, dat zorgen over het milieu voor later zijn. Deze verleidelijke boodschappen voeden een steeds dieper geworteld gevoel van persoonlijk recht, waarbij de taal van rechtvaardigheid en voorrechten wordt gebruikt om eigenbelang te verhullen. Onverschilligheid ten aanzien van de moeilijkheden die anderen ervaren wordt gewoon, terwijl vermaak en afleidend amusement gulzig worden geconsumeerd. De ontkrachtende invloed van materialisme sijpelt door in elke cultuur; en alle bahá’ís erkennen dat zij, tenzij ze ernaar streven bewust te blijven van zijn effecten, onbewust in een of andere mate die manier van naar de wereld kijken overnemen. Ouders moeten zich zeer bewust zijn dat kinderen, zelfs als ze heel jong zijn, de normen van hun omgeving in zich opnemen. Het programma voor de geestelijke bekrachtiging van de jeugd stimuleert diepgaand inzicht op een leeftijd waarop de roep van het materialisme steeds nadrukkelijker wordt. Met het naderen van volwassenheid komt er een verantwoordelijkheid, gedeeld met iemands generatie, om hun ogen niet door werelds streven te laten verblinden voor onrecht en ontbering. Na verloop van tijd zullen de eigenschappen en de houding die door de trainingen van het trainingsinstituut zijn gevoed, door in aanraking gekomen te zijn met het Woord van God, mensen helpen om verder te kijken dan de illusies die de wereld in elk levensstadium gebruikt om de aandacht weg te trekken van dienstbaarheid en te richten op het zelf. En uiteindelijk brengt de systematische studie van het Woord van God en het onderzoek van de implicaties daarvan bewustzijn teweeg over de behoefte om iemands materiële zaken te regelen in overeenstemming met de goddelijke leringen.

10. Geliefde vrienden: de uitersten van rijkdom en armoede in de wereld worden steeds onhoudbaarder. Naarmate onrechtvaardigheid aanhoudt, zien we dat de gevestigde orde onzeker geworden is over zichzelf, en worden zijn waarden in twijfel getrokken. Welke beproevingen een wereld in strijd in de toekomst ook onder ogen moet zien, wij bidden dat de Almachtige Zijn geliefden zal helpen om elk obstakel op hun pad te boven te komen en hen zal bijstaan om de mensheid te dienen. Hoe groter de aanwezigheid van een bahá’í-gemeenschap binnen een bevolking, hoe groter haar verantwoordelijkheid om wegen te vinden om de fundamentele oorzaken van de armoede in hun omgeving aan te pakken. Hoewel de vrienden nog in de eerste fase zijn van het leren over zulk werk en van het bijdragen aan de discoursen in verband daarmee, schept het gemeenschapsopbouwende proces van het Vijfjarenplan overal de ideale omgeving waarin, geleidelijk aan maar consequent, kennis en ervaring kan worden opgedaan over het hogere doel van economische activiteit. Moge in de komende jaren, tegen de achtergrond van het eeuwenlange werk om een goddelijke beschaving op te richten, deze verkenning een meer uitgesproken aspect van gemeenschapsleven, institutioneel denken en individuele actie worden.

[Getekend: Het Universele Huis van Gerechtigheid]